29 augustus 2026 · 6 minuten
Verliesverrekening binnen een fiscale eenheid VPB: de regels
Verliesverrekening fiscale eenheid VPB: horizontale saldering binnen het jaar, verticale verrekening met de € 1 miljoen-drempel, en regels bij ontvoeging.
Binnen een fiscale eenheid VPB wordt het verlies van de ene maatschappij in hetzelfde jaar direct gesaldeerd met de winst van een andere maatschappij: horizontale verliesverrekening. Daarnaast geldt de gewone verticale verliesverrekening van artikel 20 lid 2 Wet Vpb, met de temporisering van € 1.000.000 plus 50% van de winst daarboven. Over het voegingstijdstip heen gelden aparte regels, artikel 15ae.
Horizontale saldering: het kernvoordeel van de fiscale eenheid
De fiscale eenheid is voor de vennootschapsbelasting één belastingplichtige (artikel 15 lid 1 Wet Vpb). Daardoor wordt het verlies van de ene maatschappij binnen het jaar automatisch gesaldeerd met de winst van een andere maatschappij in dezelfde eenheid, zonder aparte verrekeningsprocedure. Dit is het belangrijkste fiscale voordeel van de fiscale eenheid.
Voorbeeld: BV A maakt in 2026 een verlies van € 300.000. BV B, in dezelfde fiscale eenheid, maakt in datzelfde jaar een winst van € 500.000. Zonder fiscale eenheid betaalt BV B VPB over € 500.000 en moet BV A haar verlies apart voorwaarts of achterwaarts verrekenen. Binnen de fiscale eenheid wordt één gecombineerde aangifte gedaan over € 200.000 winst (500.000 min 300.000). Het verlies van BV A is meteen benut, zonder te wachten op eigen toekomstige winst.
Verticale verliesverrekening: artikel 20 en de € 1 miljoen-drempel
Blijft er na horizontale saldering een verlies over voor de fiscale eenheid als geheel, dan geldt de gewone verticale verliesverrekening van artikel 20 lid 2 Wet Vpb: één jaar achterwaarts en onbeperkt voorwaarts. Sinds 1 januari 2022 (Belastingplan 2021) is de verrekening in elk jaar getemporiseerd tot € 1.000.000 plus 50% van de belastbare winst boven dat bedrag. Dit geldt zowel voorwaarts als achterwaarts.
Voorbeeld: de fiscale eenheid heeft een verrekenbaar verlies van € 4.000.000 uit een eerder jaar. In 2027 maakt de eenheid een belastbare winst van € 3.000.000. Verrekenbaar is € 1.000.000 plus 50% van (3.000.000 min 1.000.000) = € 1.000.000, totaal € 2.000.000. Er blijft € 1.000.000 belastbare winst over waarover VPB is verschuldigd, en € 2.000.000 verlies staat nog open voor latere jaren.
Vóór 2022 gold nog een termijn van zes jaar voorwaarts en één jaar achterwaarts; sindsdien is de voorwaartse verrekening onbeperkt in tijd, maar wel getemporiseerd in omvang. Verliezen uit boekjaren vanaf 2013 vallen op grond van het overgangsrecht onder dit regime (KG:011:2023:14).
Over het voegingstijdstip heen: artikel 15ae
Verliezen die een maatschappij vóór haar toetreding tot de fiscale eenheid heeft geleden (voorvoegingsverliezen), zijn na voeging alleen verrekenbaar met het deel van de winst van de fiscale eenheid dat aan die specifieke maatschappij is toe te rekenen (artikel 15ae lid 1 onderdeel a). Andersom geldt hetzelfde: een verlies van de fiscale eenheid kan alleen achterwaarts worden verrekend met voorvoegingswinst van de maatschappij aan wie dat verlies is toe te rekenen (onderdeel b).
De winst per maatschappij wordt daarvoor vastgesteld met de zelfstandigheidsbenadering van artikel 15ah: alsof er geen fiscale eenheid bestond, voor zover die winst binnen de eenheid tot uitdrukking komt. De volgorde van verrekening ligt vast in artikel 12 Besluit fiscale eenheid 2003: eerst horizontale saldering binnen het jaar, dan pas voorvoegingsverliezen, waarbij de € 1.000.000-ruimte naar rato aan de maatschappijen wordt toegerekend. Dit onderwerp is uitgebreid met voorbeelden uitgewerkt in voorvoegingsverliezen verrekenen binnen de fiscale eenheid.
Bij ontvoeging: wie neemt het verlies mee?
Verlaat een dochter de fiscale eenheid, dan neemt zij haar eigen voorvoegingsverliezen weer mee (artikel 15af). Het verlies dat is ontstaan tijdens het bestaan van de fiscale eenheid blijft in beginsel bij de moeder. Dochter en moeder kunnen gezamenlijk, bij de aangifte over het laatste jaar dat de dochter deel uitmaakte van de eenheid, verzoeken om het aan de dochter toerekenbare FE-verlies aan haar mee te geven. De inspecteur stelt de omvang daarvan vast bij voor bezwaar vatbare beschikking (artikel 15af lid 3). Zonder dat gezamenlijke verzoek blijft het volledige FE-verlies bij de moeder.
Artikel 15ag beperkt daarnaast de verrekening van voorvoegingsverliezen van de moeder: na ontvoeging van de dochter worden die verliezen niet verrekend met winst op vermogensbestanddelen die de moeder tijdens de fiscale eenheid van die dochter verkreeg, voor zover die winst zonder ontvoeging aan de dochter zou zijn toegerekend. Meer over de gevolgen van het verlaten van de eenheid, inclusief de 15ai-sanctie op stille reserves, leest u in fiscale eenheid verbreken (ontvoeging).
Artikel 20a: verliezen vervallen bij belangwijziging
Wijzigt het uiteindelijke belang in een maatschappij in belangrijke mate (30% of meer), dan vervallen haar verrekenbare verliezen in beginsel op grond van artikel 20a Wet Vpb. Binnen de fiscale eenheid wordt deze toets per maatschappij afzonderlijk beoordeeld (artikel 15 lid 16 en lid 17 Wet Vpb): een belangwijziging bij één dochter raakt niet automatisch de verliezen die aan andere maatschappijen in de eenheid zijn toe te rekenen.
Zelf een fiscale eenheid aanvragen
De voorwaardencheck laat zien of uw groep aan de voorwaarden voldoet om de horizontale verliesverrekening te benutten; de ingevulde formulieren downloadt u daarna voor € 39 excl. btw. Lees ook de voordelen van een fiscale eenheid VPB voor het volledige overzicht. Voor de aangifte zelf, zie aangifte vennootschapsbelasting binnen een fiscale eenheid.