29 augustus 2026 · 6 minuten
Buitenlandse dochter in de fiscale eenheid VPB: kan dat?
Kan een buitenlandse dochter mee in de fiscale eenheid VPB? Zonder vaste inrichting niet, met vaste inrichting via art. 15 lid 8, of via Papillon.
Een buitenlandse dochtermaatschappij zonder Nederlandse vaste inrichting kan nooit deel uitmaken van een fiscale eenheid VPB. Heeft zij wel een Nederlandse vaste inrichting, dan kan zij meedoen via artikel 15 lid 8 Wet Vpb 1969. Zit er een in de EU of EER gevestigde tussen- of topmaatschappij tussen twee Nederlandse lichamen, dan kan een Papillon-fiscale eenheid of een zuster-fiscale eenheid uitkomst bieden. Hieronder de routes op een rij.
De vestigingseis: waarom een buitenlandse dochter meestal afvalt
Artikel 15 lid 4 onderdeel c Wet Vpb 1969 eist dat moeder en dochter feitelijk in Nederland zijn gevestigd. Een dochter die volledig in het buitenland is gevestigd en daar geen Nederlandse activiteiten heeft, voldoet niet aan die eis en kan dus niet worden gevoegd. Dit is bevestigd door het Hof van Justitie EU in de zaak X Holding (C-337/08, 25 februari 2010): het territorialiteitsbeginsel van de fiscale eenheid is gerechtvaardigd en een lidstaat hoeft een buitenlandse dochter zonder vaste inrichting niet toe te laten.
Voor de rechtsvorm geldt bovendien dat de dochter vergelijkbaar moet zijn met een BV of NV (artikel 15 lid 4 onderdeel e). Een buitenlandse rechtsvorm die niet met een BV of NV te vergelijken is, valt om die tweede reden al af, los van de vestigingsplaats.
De vaste-inrichtingroute: artikel 15 lid 8
Een lichaam dat niet in Nederland is gevestigd, kan toch meedoen aan de fiscale eenheid met zijn Nederlandse vaste inrichting, artikel 15 lid 8 Wet Vpb 1969. Is de moeder de buitenlandse partij, dan moeten de aandelen in de Nederlandse dochter behoren tot het vermogen van die Nederlandse vaste inrichting (lid 8, onder 1°). De fiscale eenheid omvat dan niet het volledige buitenlandse lichaam, alleen het deel dat aan de Nederlandse vaste inrichting is toe te rekenen.
Voorbeeld: Holding GmbH in Duitsland houdt via haar Nederlandse vaste inrichting ten minste 95% van de aandelen in Werk BV. De vaste inrichting voldoet daarmee aan de 95%-eis en de vestigingseis. Naast de eis dat de aandelen tot het vermogen van de vaste inrichting behoren, stelt lid 8 ook dat de winst van die vaste inrichting in Nederland is onderworpen aan de vennootschapsbelasting en dat de werkelijke leiding van Holding GmbH in de EU of EER is gevestigd. Voldoet de structuur ook aan de overige voorwaarden van artikel 15, dan kan Holding GmbH met haar Nederlandse vaste inrichting en Werk BV een fiscale eenheid vormen. Controleer eerst of aan alle overige voorwaarden is voldaan met de checklist vereisten fiscale eenheid VPB, waaronder het 95%-bezitsvereiste.
Heeft een Nederlandse maatschappij zelf een buitenlandse vaste inrichting, dan blijft de winst van die vaste inrichting binnen de fiscale eenheid onder de objectvrijstelling vallen (artikel 15e Wet Vpb), en geldt bij staking van die vaste inrichting het stakingsverliesregime van artikel 15i.
Papillon-fiscale eenheid: kleindochter via een buitenlandse tussenhoudster
Een Papillon-fiscale eenheid maakt het mogelijk om een Nederlandse moeder en een Nederlandse kleindochter te voegen, terwijl de tussenliggende tussenmaatschappij in een andere EU- of EER-lidstaat is gevestigd en zelf buiten de fiscale eenheid blijft (artikel 15 lid 3 juncto lid 5 Wet Vpb). De keten van bezit moet wel doorlopend aan de 95%-eis voldoen (lid 5), en de tussenmaatschappij moet een rechtsvorm hebben die vergelijkbaar is met een BV of NV.
Voorbeeld: Moeder BV in Nederland houdt 100% van de aandelen in Belgium NV, die op haar beurt 100% houdt in Kleindochter BV in Nederland. Moeder BV en Kleindochter BV kunnen een Papillon-FE vormen. Belgium NV blijft buiten de fiscale eenheid, maar de keten Moeder BV-Belgium NV-Kleindochter BV moet wel aan de 95%-eis voldoen.
Zuster-fiscale eenheid: twee NL-zusters onder een buitenlandse top
Bij een zuster-fiscale eenheid hebben twee Nederlandse zustermaatschappijen een gemeenschappelijke topmaatschappij die in de EU of EER is gevestigd (artikel 15 lid 2 Wet Vpb). Een van de twee zusters wordt bij het verzoek aangewezen als moedermaatschappij van de fiscale eenheid; de buitenlandse topmaatschappij zelf doet niet mee.
Beide grensoverschrijdende varianten zijn de uitkomst van de SCA Group Holding-arresten van het Hof van Justitie EU (12 juni 2014, gevoegde zaken C-39/13, C-40/13 en C-41/13), in navolging van Papillon (HvJ EU 27 november 2008, C-418/07), en de daaropvolgende uitspraken van de Hoge Raad van 19 december 2014 (BNB 2015/91-93). De wetgever heeft dit per 9 december 2016 gecodificeerd in de Wet Vpb (Stb. 2016/504).
Derde landen: geen Papillon, geen zuster-FE
De Papillon- en zuster-FE gelden alleen voor tussen- of topmaatschappijen die in de EU of EER zijn gevestigd. Een tussenhoudster in de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk (sinds de brexit geen EU-lidstaat meer) of Zwitserland kwalificeert niet. Loopt de keten via zo'n land, dan is er geen route naar een fiscale eenheid tussen de Nederlandse groepsmaatschappijen langs die band, ook niet als aan de overige eisen is voldaan. Dat is alleen anders als die buitenlandse (tussen)houdster zelf een Nederlandse vaste inrichting heeft waaraan de aandelen in de Nederlandse dochter zijn toe te rekenen (art. 15 lid 8, onder 1°): dan loopt de route niet via Papillon of de zuster-FE, maar via de vaste-inrichtingroute die hierboven staat beschreven.
Wat moet het verzoek bevatten?
Bij een reguliere fiscale eenheid vult u Deel A en Deel B van het Belastingdienstformulier in. Bij een Papillon- of zuster-structuur gebruikt de Belastingdienst hiervoor ook Deel C; u licht de structuur met een buitenlandse tussen- of topmaatschappij zelf toe met een structuuroverzicht van de volledige keten als bijlage. Het verzoek moet uiterlijk drie maanden na het gewenste voegingstijdstip bij de Belastingdienst binnen zijn, artikel 15 lid 9 Wet Vpb. Doe de voorwaardencheck voor de reguliere voorwaarden; de route via een vaste inrichting, Papillon- of zusterstructuur beoordeelt u apart (of met een adviseur). Lees hoe u een fiscale eenheid VPB aanvraagt voor de rest van de procedure.
Veelgestelde vragen
Kan een Amerikaanse dochter in de Nederlandse fiscale eenheid?
Nee, tenzij die dochter een Nederlandse vaste inrichting heeft. Een Amerikaanse vennootschap zonder Nederlandse activiteiten voldoet niet aan de vestigingseis en kan niet worden gevoegd, ook niet via een Papillon- of zuster-constructie, omdat de VS geen EU- of EER-land is.
Telt een Duitse of Belgische tussenhoudster mee in de 95%-keten?
Ja, bij een Papillon-FE moet de volledige keten van moeder via de buitenlandse tussenmaatschappij naar de kleindochter aan de 95%-eis voldoen. De tussenmaatschappij zelf telt niet mee als lid van de fiscale eenheid, maar haar aandelenbezit is wel bepalend voor de 95%-toets.
Moet de buitenlandse tussen- of topmaatschappij een BV-achtige rechtsvorm hebben?
Dat verschilt. Bij een Papillon-FE moet de tussenmaatschappij (lid 5) een rechtsvorm hebben die vergelijkbaar is met een BV of NV, met een in aandelen verdeeld kapitaal. Bij een zuster-FE mag de topmaatschappij (lid 6) ook een coöperatie, een onderlinge waarborgmaatschappij, of een daarmee vergelijkbare buitenlandse rechtsvorm zijn. Die eis is dus ruimer dan bij de tussenmaatschappij.